Sceptici van economische groei verwijzen graag naar de Amerikaanse econoom Richard Easterlin, die in zijn onderzoek liet zien dat mensen zich boven een zeker inkomensniveau niet significant gelukkiger voelen als ze nóg meer verdienen. Andere economen, met name de Schot Angus Deaton en de Amerikaanse Betsey Stevenson, geven tegengas met mondiale data uit het World Happiness Report.
Die data zeggen ongeveer dit. Er is een positief verband tussen enerzijds het Bruto Binnenlands Product, en anderzijds de mate waarin mensen in het World Happiness Survey aangeven “tevreden met hun leven” te zijn. De meeste analyses laten zien dat, door de bank genomen, met iedere procent inkomensstijging dit gelukscijfer een vast beetje stijgt. Niks Easterlin Paradox dus: meer inkomen, meer geluk.
Wacht even, zeggen de Easterlin-aanhangers dan. Je spreekt hier niet van een lineair verband waarin iedere euro of dollar eenzelfde stijging geeft, maar van een logaritmisch verband, waarin de bijdrage van iedere euro of dollar daalt met de hoeveelheid die iemand al verdient. Het vlakt dus wel degelijk af! Klopt, zeggen andere economen dan, en dat is helemaal niet onverwacht. In technische termen daalt het marginaal nut van inkomen met datzelfde inkomen. Een arme sloeber is bereid een vuilniscontainer in te kruipen voor een statiegeldblikje, terwijl een rijke stinkerd niet eens de moeite zou nemen zijn eigen blikje in te wisselen. Dat geluk lineair stijgt met relatieve inkomensstijging, in plaats van absolute inkomensstijging, is voor economen geen nieuws. Het geeft op zich ook geen reden om aan te nemen dat dat marginaal nut ooit precies nul wordt.
Er is echter nog iets raars aan de hand. Dezelfde Betsey Stevenson laat ook zien dat inwoners van rijkere landen over het algemeen hun leven minder betekenisvol vinden. Als je kijkt naar de correlatie met zelfmoordcijfers zie je ook iets vreemds: in arme landen dalen zelfmoordcijfers met inkomen, maar in rijke landen stijgen ze juist. Dat valt moeilijk te rijmen met de hogere levenstevredenheid in rijke landen.
Ik heb echter nog een bezwaar tegen deze discussie als geheel. Alle partijen lijken er vanuit te gaan dat geluk een onvermijdelijk gevolg van externe factoren is, zoals je een zonverbranding krijgt als je je niet insmeert op een stranddagje, of een verkoudheid als een rhinovirus je neus binnendringt. Maar is dat ook zo? Psychologisch onderzoek suggereert dat je mentaliteit, oftewel hoe je in het leven staat, minstens zo bepalend voor je welbevinden is als je loonstrookje. Geluk is geen griep die je overkomt maar een vaardigheid die je kunt leren. Als de bijdrage van inkomen aan je geluk daalt met datzelfde inkomen, zoals ook de cijfers van Deaton, Stevenson, en anderen laten zien, wat heeft het dan voor zin om stijfkoppig nog meer geluk uit dat inkomen te persen terwijl er ook andere, misschien doeltreffender manieren zijn om tevreden te zijn met je leven?